Nieuws.

Waarschuwingsplicht aannemer; eigen schuld opdrachtgever

Een beroep op eigen schuld (artikel 6:101 lid 1 BW) kan de aannemer soms een handje helpen wanneer hij zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden.

Aanneming van werk: waarschuwingsplicht aannemer

Artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de aannemer bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Dat geldt ook voor fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.

Paragraaf 6 van de bij aanneming van werk veel toegepaste Uniforme Administratieve Voorwaarden (UAV 1989 of 2012) bevat een vergelijkbare bepaling: de aannemer dient bij aanneming van werk de opdrachtgever te waarschuwen tegen klaarblijkelijke fouten of gebreken.

Gevolgen schending waarschuwingsplicht: aansprakelijkheid

Niet waarschuwen levert strijd op met de goede trouw, en dat leidt weer tot aansprakelijkheid van de aannemer voor de schadelijke gevolgen van zijn verzuim. Heeft de aannemer in strijd met zijn waarschuwingsplicht gehandeld, dan is hij in beginsel aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen daarvan.

Overigens is het vaste jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de bouw dat de aannemer mag volstaan met een marginale toetsing. Wanneer bijvoorbeeld de onderliggende berekeningen er (nog) niet zijn, dan kan de aannemer moeilijk het verwijt worden gemaakt dat de voorgeschreven constructie zonder klaarblijkelijke fout(en) is.

Wel of niet gewaarschuwd?

In een door de RvA behandelde zaak (geschilnummer 28.520, 24 oktober 2012) hield de opdrachtgever van de bouw van een stadskantoor de aannemer aansprakelijk voor de schade die zij had geleden als gevolg van de plaatsing van blank isolatieglas in de vensters van de kantoorvleugels met een lagere warmtewerendheid dan voorgeschreven. Volgens het bouwkundig bestek mocht de zontoetredingswaarde (ZTA) maximaal 35% zijn. Metingen hadden uitgewezen dat sprake was van een te hoge ZTA-waarde (57%). Met andere woorden: het werd veel te warm in de kantoren doordat de ramen minder zonwarmte tegenhielden.

Partijen hadden de RvA gevraagd hun geschil over het glas te beslechten op basis van artikel 7:754 BW. Beslechting op grond van het civiele recht hadden partijen met elkaar in een vaststellingsovereenkomst afgesproken. De aannemer verweerde zich met de stelling dat hij opdrachtgever wel degelijk had gewaarschuwd dat de tekeningen van de bestekkozijnen géén,  maar de tekst van het bestek wél ZTA-waardes bevatten. En omdat met opdrachtgever zou zijn afgesproken dat de tekeningen zouden worden aangehouden, viel hem niets te verwijten.

Dat verweer hielp niet, want de RvA oordeelde dat de aannemer aan de hand van de bestekstukken op de hoogte was (had moeten zijn) van het feit dat de opdrachtgever blank isolatieglas met een ZTA-waarde van maximaal 35% toepast wilde hebben. De aannemer was, naar de RvA oordeelde, dan ook aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.

Geslaagd beroep op eigen schuld opdrachtgever

Volgens de aannemer droeg de opdrachtgever zelf ook schuld aan de afwijkende ZTA-waarde, omdat opdrachtgever akkoord was gegaan met de glasmonsters van de hogere ZTA-waarde. Dat argument baatte de aannemer niet, want volgens de RvA vindt beoordeling van de monsters met name plaats op kleur en uiterlijk; een dergelijke keuring betekent niet dat opdrachtgever ook akkoord is gegaan met de hogere ZTA-waarde.

Maar de aannemer had nog een eigenschuld-argument in de tas. En dat had te maken met de onoplettendheid van de opdrachtgever. Voordat hij het glas bestelde, had de aannemer de certificaten van de toe te passen beglazing toegezonden aan de opdrachtgever. Op de certificaten stond de ZTA-waarde vermeld. De opdrachtgever had ondanks overleg met de aannemer, de architect en de eigen adviseur het glas met de afwijkende ZTA-waarde enige maanden later zonder protest laten plaatsen. De RvA oordeelde dat opdrachtgever, nu deze op de hoogte was (had moeten zijn) dat het blanke isolatieglas een andere ZTA-waarde had, nalatig was geweest. Door die 'nalatigheid' diende de schade in gelijke delen over partijen te worden verdeeld. Artikel 6:101 lid 1 BW biedt de mogelijkheid de schadevergoedingsplicht te verminderen door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige (de aannemer) te verdelen.

De aannemer werd veroordeeld tot vervanging van het glas, maar de opdrachtgever moest de helft van de kosten ophoesten. Ondanks de schending van de waarschuwingsplicht kwam de aannemer hier met een beroep op de eigen schuld van de opdrachtgever nog redelijk weg.

Aannemers dienen dan ook steeds goed in de gaten te houden dat in een geschil over schending van de waarschuwingsplicht, zij de eventuele schade kunnen proberen te beperken door een eigenschuld-verweer te voeren. Omgekeerd dienen opdrachtgevers altijd heel scherp te zijn op monsterkeuring en zullen zij (ook tijdig) moeten protesteren tegen certificaten die afwijken van de bestekeisen.

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Slangen Advocaten.

Luc Petersen
petersen@slangen-advocaten.nl
10 september 2013

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten