Nieuws.

De hypotheekakte levert niet altijd een executoriale titel op

Al in een uitspraak uit 1992 van de Hoge Raad (Rabobank/Visser, NJ 1993/449) oordeelde de Hoge Raad dat een bankhypotheekakte slechts in beperkte mate als executoriale titel kan gelden voor gedwongen executie. In een recente zaak die zich voordeed bij de Hoge Raad (8 februari 2013, Rabobank/Donselaar, NJ 2013/123) hadden partijen een verschil van inzicht over de uitleg van eerstgenoemd arrest. De vraag die de Hoge Raad diende te beantwoorden was: “Kan een hypotheekakte na uitwinning dienen als executoriale titel voor 'restantvorderingen'?”

De Hoge Raad bepaalde in het arrest Rabobank/Donselaar dat de grosse van de tussen partijen opgemaakte notariële hypotheekakte niet kan worden aangemerkt als een executoriale titel voor de na uitwinning van het hypotheekrecht resterende vorderingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening, ook niet voor zover die reeds bestonden ten tijde van het verlijden van de hypotheekakte.

In de uitspraak Rabobank/Visser oordeelde de Hoge Raad in 1992 dat executoriale kracht van een bankhypotheekakte slechts toekomt aan de authentieke akte ‘met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding’. In de tweede plaats gaf de Hoge Raad aan dat een bankhypotheekakte of een andere authentieke akte slechts een executoriale titel vormt voor het geval het gaat om een executie ter incasso van bestaande ‘in de akte omschreven’ vorderingen en toekomstige vorderingen uit een bestaande ‘in de akte omschreven’ rechtsverhouding.

In de praktijk werd sinds dit arrest van de Hoge Raad aangeraden om bankhypotheekakten zo te formuleren dat zij zoveel mogelijk een omschrijving inhouden van de reeds bestaande vorderingen en rechtsverhouding waar nog vorderingen uit voort kunnen vloeien. Een aanduiding in de hypotheekakte waarbij hypotheek was verleend ‘tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van de comparanten onder A genoemd, zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk, voor zover in deze akte niet anders aangeduid, hierna te noemen: debiteur, te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook’, zorgde niet voor een executoriale titel.

In de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2013 herhaalt de Hoge Raad het eerder ingenomen standpunt dat een bankhypotheekakte slechts als executoriale titel kan gelden als het gaat om een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding.
Wil een hypotheekakte of andere authentieke akte een titel kunnen vormen voor executie, dan dienen de bestaande vorderingen en de bestaande rechtsverhoudingen waaruit in de toekomst eventueel vorderingen zouden kunnen voortvloeien waarvoor de crediteur mogelijk verhaal zou willen zoeken via executie in de akte geconcretiseerd te worden.

De uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2013 bevestigt nog maar eens dat het van belang is dat goed gecontroleerd wordt of de hypotheekakte voldoende gespecificeerd is, zodat de hypotheekakte een executoriale titel oplevert in geval men over wenst te gaan tot executie.

Fiona Sassen
sassen@slangen-advocaten.nl
18 juni 2013

Overig nieuws

Meer nieuws
© 2011 Slangen Advocaten