Nieuws.

Bouwgeschillen niet verplicht naar de burgerlijke rechter

Op 21 september 2012 heeft de Hoge Raad een voor de bouwsector belangrijke uitspraak gedaan over de mogelijkheid om bouwgeschillen aan de Raad van Arbitrage te kunnen voorleggen in plaats van aan de burgerlijke rechter, waar kennis van bouwkundige zaken veelal ontbreekt.

In bouwcontracten worden vaak bedingen opgenomen, via toepassing verklaring van de UAV of AVA, die tot doel hebben eventuele geschillen tussen partijen uitsluitend te laten beslechten door middel van arbitrage. Tegelijk bepaalt een dergelijk beding dat de gewone (civiele) rechter niet bevoegd is van die geschillen kennis te nemen.

In de rechtspraak van de afgelopen jaren is steeds vaker aan de orde gekomen de vraag of een arbitragebeding in contractuele relaties met consumenten is toegestaan. Het gerechtshof in Leeuwarden¹ besliste in 2011 dat een dergelijke bepaling in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op een overeenkomst met een consument altijd als onredelijk bezwarend moeten worden aangemerkt. De sanctie hierop is dat een dergelijke bepaling vernietigbaar is zodat de Raad van Arbitrage voor de Bouw niet meer bevoegd is en partijen alsnog naar de burgerlijke rechter moeten.

De (lagere) rechtspraak concludeerde tot voor kort steevast dat arbitragebedingen oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn in het licht van de Europese “Richtlijn betreffende onredelijke bedingen in consumentenovereenkomsten”. Onlangs heeft voor het eerst de Hoge Raad² over deze kwestie geoordeeld.

Het oordeel dat in een bepaald geval inderdaad sprake is van een oneerlijk beding moet steunen op een specifieke motivering waarin zijn betrokken de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad oordeelt echter op grond van de Richtlijn dat het volledig aan de nationale rechter is overgelaten om te onderzoeken of een arbitraal beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn. De Nederlandse rechter moet daarom op basis van artikel 6:233 onder a BW aan de hand van de concrete omstandigheden van ieder afzonderlijk geval specifiek motiveren waarom een arbitragebeding voor een consument onredelijk bezwarend is. Het is aan de consument om aan te tonen dat het arbitragebeding in zijn geval onredelijk en oneerlijk is.

Bij bouwcontracten die u aangaat met consumenten dient u er dus nog steeds rekening mee te houden dat een arbitragebeding door de rechter kan worden vernietigd. Het is daarom dan ook aan te raden de bevoegdheid van de Raad van Arbitrage op te nemen in de overeenkomst zelf. De consumentenbescherming heeft namelijk alleen betrekking op de algemene voorwaarden. Partijen worden geacht over de inhoud van de overeenkomst te hebben onderhandeld en deze bewust te zijn aangegaan zodat een clausule in de overeenkomst niet gauw zal worden gezien als een algemene voorwaarden.

Silvia Domínguez Saínza
dominguez@slangen-advocaten.nl


¹ Hof Leeuwarden 5 juli 2011, LJN BR2500
² HR 21 september 2012, LJN BW6135

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten