Nieuws.

Spoedeisend belang

Ingevolge artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter alleen bevoegd in die spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een zogeheten onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist.

Voor bevoegdheid van de voorzieningenrechter in kort geding moet de eisende partij dus een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Stelt de eisende partij geen spoedeisend belang, en kan de voorzieningenrechter uit het feitencomplex dat aan de vordering ten grondslag wordt gelegd een dergelijk belang evenmin afleiden, dan zal niet snel worden aangenomen dat onmiddellijke voorzieningen vereist zijn, zodat de voorzieningenrechter zich onbevoegd zal verklaren. Eiser zal in dat geval zijn vorderingen aan de bodemrechter moeten voorleggen. In een bodemprocedure is meer ruimte voor de vereiste instructie van de feiten.

Soms kan spoedeisend belang verloren gaan

Een recente uitspraak van de voorzieningenrechter laat zien dat een spoedeisend belang verloren kan gaan.

Een hotelexploitant had (via een aannemingsovereenkomst) een aannemer opdracht gegeven zijn hotel te renoveren en daarbij ook installatietechnische werkzaamheden te verrichten aan de keukeninstallaties en de internet- en telefoonaansluitingen. Volgens de exploitant werkten na afronding van de werkzaamheden de aansluitingen voor internet en telefoon niet goed en haperde de keukeninstallatie. De aannemer had weliswaar op dringend verzoek van de exploitant herstelwerkzaamheden uitgevoerd, maar er bleken zich nog steeds haperingen voor te doen. Het door de hotelexploitant geëntameerde kort geding diende in december 2011. De voorzieningenrechter hield de zaak aan toen partijen bereid bleken schikkingsonderhandelingen te gaan voeren.

De onderhandelingen liepen op niets uit, waarna de zaak in april 2012 behandeld werd.

De hotelexploitant vorderde (op straffe van dwangsommen) dat de aannemer binnen 8 uur na betekening van het vonnis alle toegangscodes en alle originele instellingen en de benodigde software voor de besturingssystemen van de installaties aan hem beschikbaar zou stellen. Op die manier kon de hotelexploitant een andere partij, in wie hij meer vertrouwen had, de mankementen aan de systemen en installaties laten herstellen en het onderhoud laten verzorgen. Volgens de exploitant had hij onder meer schade geleden wegens haperingen in het elektronische boekingssysteem van het hotel.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de aannemer ter zitting had aangetoond dat hij toch in staat was gebleken om met succes herstelwerkzaamheden uit te voeren. Van zijn kant had de hotelexploitant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op dit moment (nog) sprake was van een reëel gevaar dat de aannemer storingen zou veroorzaken in de systemen en installaties. De exploitant had evenmin onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zeer recent nog sprake van storingen was geweest.

Omdat van een noodsituatie geen sprake (meer) was, oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang meer was, zodat de vorderingen van de hotelexploitant werden afgewezen (rechtbank Almelo, 2 mei 2012, LJN BW5806).

Luc Petersen
petersen@slangen-advocaten.nl

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten