Nieuws.

Vervaltermijn bij aanbesteding: expliciet wijzen op de rechtsgevolgen

Na de selectieprocedure wenst de aanbestedende partij niets liever dan de opdracht zo snel mogelijk te verlenen aan de winnende inschrijver. De belangen om voortvarend aan het project te beginnen zijn immers groot.

Artikel 4 van de WIRA (Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden) bepaalt dat de aanbesteder ten minste 15 kalenderdagen moet wachten voordat hij de winnende inschrijver de opdracht toekent. Dit met het oog op de rechtsbescherming van inschrijvers die tegen het gunningsvoornemen willen protesteren. Om die reden bepalen de aanbestedingsdocumenten meestal dat een teleurgestelde inschrijver zich binnen 15 kalenderdagen tot de Voorzieningenrechter moet wenden.

Maar welk karakter heeft deze termijn nu eigenlijk? Volgens de Haarlemse Voorzieningenrechter (23 maart 2011, LJN BQ0146) volgt het karakter van de termijn uit 'de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten' (de zogeheten Haviltex-criteria). In deze casus was in de bestekstukken bepaald dat binnen 15 dagen na bekendmaking van de gunningsbeslissing een kort geding aanhangig moest zijn gemaakt. Van een vervaltermijn is dus sprake wanneer partijen ermee bedoelen de opdrachtverlening op te schorten.

Maar zo simpel is het niet.

Hof Amsterdam wijdde recentelijk in een door Slangen Advocaten behandelde aanbestedingszaak (21 februari 2012, niet gepubliceerd) een overweging aan het karakter van een contractuele 'verval'termijn. Net als in de Haarlemse casus had de aanbestedende dienst bepaald dat 'bezwaren tegen gunningsbeslissingen binnen 15 kalenderdagen na verzending ervan moesten worden kenbaar gemaakt door het starten van een kort geding'.

Een teleurgestelde inschrijver was eerst enkele weken na afloop van de contractuele termijn naar de Voorzieningenrechter gestapt. Het Hof achtte dat toch tijdig. De appelrechter overwoog namelijk dat de partij die een beroep doet op een vervaltermijn, de rechtsgevolgen van overschrijding van de termijn expliciet moet hebben aangegeven. Het vérstrekkende karakter van een vervaltermijn in een aanbesteding brengt, aldus het Hof, met zich mee dat aan een dergelijk beding 'de eis mag worden gesteld dat daaruit in niet mis te verstane bewoordingen blijkt dat de termijn in kwestie een vervaltermijn is, alsmede welke vorderingsrechten na afloop van de termijn komen te vervallen'. En omdat in dit geval aan het vereiste van duidelijke bewoordingen niet was voldaan, oordeelde het Hof dat in dit geval geen sprake was van een vervaltermijn. Ook het buiten de termijn ingestelde kort geding was om die reden toch tijdig aanhangig gemaakt.

De aanbestedende dienst doet er dan ook verstandig aan om in de aanbestedingstukken heel uitdrukkelijk te wijzen op zowel het karakter van deze termijn als op de rechtsgevolgen ervan. Het verdient aanbeveling om in de aanbestedingsdocumenten over de termijn waarbinnen inschrijvers (bij de Voorzieningenrechter) moeten protesteren het volgende op te nemen:

a) het karakter van de termijn is een vervaltermijn;
b) de vorderingsrechten die na afloop van de termijn komen te vervallen;
c) het staat de aanbestedende dienst vrij met de winnende inschrijver te contracteren indien er binnen de termijn geen kort geding aanhangig is gemaakt.

Luc Petersen
petersen@slangen-advocaten.nl

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten