Nieuws.

De 'Wet aanpassing bestuursprocesrecht'

Op 27 maart 2012 is het wetsvoorstel 'Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht' (kort gezegd: de 'Wet aanpassing bestuursprocesrecht' of 'Wab') met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel ligt nu ter behandeling bij de Eerste Kamer. In de bestuursrechtspraak stonden oorspronkelijk twee functies naast elkaar: handhaving van het objectieve recht enerzijds en bescherming van de rechten van burgers in geschillen met de overheid anderzijds. In de loop van de tijd kwam steeds meer nadruk te liggen op het laatste: de finale geschilbeslechting. Rechters maken meer en meer gebruik van reeds bestaande wettelijke voorzieningen die een effectieve en finale geschilbeslechting beogen. De Wab tracht bij te dragen aan dit doel. Hiernaast staat, aldus de toelichting op de Wab, tevens een zorgvuldige en meer toegankelijke procedure centraal in het wetsvoorstel. Hieronder zal worden ingegaan op een aantal in het oog springende, beoogde wijzigingen van het geldende bestuursprocesrecht.

Wellicht het meest belangrijke onderdeel van de Wab is het voornemen om het relativiteitsvereiste op te nemen in de Algemene wet bestuursrecht ('Awb') (het nieuwe artikel 8:69a). Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter de toetsing van het bestreden besluit aan een norm achterwege laat, indien deze norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich op de schending daarvan beroept. Met andere woorden; er moet een verband zijn tussen de aangevoerde beroepsgrond en de reden waarom een besluit in rechte wordt aangevochten. De moeilijkheid die zich hierbij voordoet is dat de rechter niet altijd even goed kan vaststellen wat het beschermingsbereik van een bepaalde norm is. Zijn beslissing zal in veel zaken zeer casuïstisch kunnen zijn.

Ten tweede zal art. 6:22 Awb worden verruimd. Thans houdt het artikel in dat een besluit waarvan is komen vast te staan in bezwaar of beroep dat het een gebrek bevat omdat er sprake is geweest van een schending van een vormvoorschrift, in stand kan worden gelaten wanneer aannemelijk is geworden dat de betrokken belanghebbende door die schending niet in zijn belangen is benadeeld. De voorgestelde wijziging houdt in dat in de toekomst ook besluiten die een gebrek bevatten omdat sprake is geweest van schending van een (on)geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (en dus niet alleen een vormvoorschrift) in stand kunnen blijven, mits daardoor niet de belangen van de betrokken belanghebbende worden geschaad. Aldus is niet meer relevant wat het gebrek precies inhoudt, maar is enkel van belang of de betrokken belanghebbende door het gebrek wordt benadeeld.

Ten derde zal de regeling met betrekking tot de vervanging van besluiten hangende bezwaar en beroep worden aangepast. Art. 6:18 Awb zal worden geschrapt en art. 6:19 Awb zal worden gewijzigd, in die zin dat de wetgever heeft geprobeerd beide artikelen samen te voegen in een nieuw art. 6:19 Awb. Naar huidig recht regelt art. 6:18 Awb dat het bestuursorgaan bevoegd is een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, hangende dat bezwaar of beroep in te trekken dan wel te wijzigen. In art. 6:19 Awb is dan vervolgens geregeld dat het bezwaar of beroep tegen het originele besluit wordt geacht mede te zijn gericht tegen het gewijzigde of nieuwe besluit. In het nieuw voorgestelde art. 6:19 Awb is het nog steeds mogelijk voor een belanghebbende om op te komen tegen een besluit dat het eerdere aangevochten besluit vervangt indien daartegen al bezwaar was gemaakt of beroep was ingesteld.

Als laatste is van belang dat het bestuursorgaan in de bezwaarprocedure de zogenoemde 'antwoordkaartmethode' zal mogen hanteren. Onder het huidige recht is het horen van de bezwaarmaker door het bestuursorgaan verplicht op grond van art. 7:2 Awb, maar in de praktijk blijkt het bestuursorgaan het horen meer dan eens achterwege te laten als de bezwaarmaker niet aangeeft gehoord te willen worden terwijl enkel van het horen afgezien mag worden als de bezwaarmaker uitdrukkelijk aangeeft niet gehoord te willen worden. In het wetsvoorstel zal het bestuursorgaan de bezwaarmaker verzoeken om binnen een bepaalde termijn aan te geven of hij al dan niet prijs stelt op het horen; ontvangt het bestuursorgaan geen reactie binnen de aangegeven termijn, dan kan het horen achterwege worden gelaten.

Samenvattend kan worden gesteld dat het de bedoeling van de wetgever is om een snelle en definitieve geschilbeslechting te bevorderen. Bezien moet worden of de beoogde wijzigingen er daadwerkelijk toe zullen leiden dat enkel die belanghebbenden met een valide geschil bij de bestuursrechter terecht zullen komen.

Francesca Anzovino
anzovino@slangen-advocaten.nl

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten