Nieuws.

Update jurisprudentiekatern relativiteitsvereiste bij ruimtelijke ontwikkelingen

Update jurisprudentiekatern relativiteitsvereiste bij ruimtelijke ontwikkelingen

Sinds 1 januari 2013 is het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht ingevoerd. Het relativiteitsvereiste heeft tot gevolg dat er een verband moet zijn tussen de aangevoerde beroepsgrond en de reden waarom een besluit in rechte wordt aangevochten. Als er geen verband is, kan de bestuursrechter het besluit van de overheid vernietigen. Langzamerhand wordt steeds duidelijker wanneer wel en wanneer niet een besluit van de overheid vernietigd kan worden wegens het ontbreken van relativiteit.

Ten aanzien van een beroep op natuurbeschermingsbepalingen bepaalde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: "de Afdeling) in eerdere uitspraken (zoals besproken in het nieuwsbericht 'Jurisprudentiekantern Relativiteitsvereiste' op onze website) dat de Natuurbeschermingswet met name tot doel heeft om het algemene belang van natuur en landschap te beschermen. Het natuurbeschermingsgebied maakt onderdeel uit van de goede kwaliteit van de leefomgeving van de omwonenden. De belangen van omwonenden kunnen bij het behoud van die goede kwaliteit 'verweven' zijn met de natuurbeschermingsbepalingen. Als sprake is van verwevenheid strekken de natuurbeschermingsbepalingen ook tot bescherming van het behoud van de goede kwaliteit van de leefomgeving.

Op 1 april 20151 stelde een belanghebbende, die een woning heeft die zich bevindt op ongeveer 225 meter van een Natura 2000-gebied en waar vanuit de woning zicht bestaat op het Natura 2000-gebied, beroep in tegen een besluit tot het bouwen van een stal en het in werking hebben van een paardenfokkerij. De vraag deed zich voor of er sprake is van 'verwevenheid'. De Afdeling oordeelde in dit geval dat het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de leefomgeving van de bewoner. In dit geval is het belang van de bewoner bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving zo verweven met de algemene belangen die de Natuurbeschermingswet beoogt te beschermen, dat de betrokken normen van de Natuurbeschermingswet strekken tot bescherming van zijn belang.

In een ander geval stelde een exploitant van een agrarisch bedrijf beroep in tegen een bestemmingsplan. De exploitant stelde dat de gemeenteraad ten onrechte een nieuwe burgerwoning mogelijk had gemaakt. De exploitant voerde aan dat bij de woning geen goed woon- en leefklimaat kon worden gewaarborgd. De Afdeling bepaalde op 1 april 20152 dat normen die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening (en die een goed woon- en leefklimaat beschermen) zowel belangen van bewoners bij het woon- en leefklimaat als de belangen van de betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf beschermen. De exploitant deed echter een beroep op de milieugevolgen die bij de woning op het betreffende perceel kunnen worden ondervonden vanwege het naastgelegen agrarisch bedrijf. De Afdeling oordeelde dat dit beroep niet kan slagen, omdat deze aspecten van een goede ruimtelijke ordening niet strekken tot de bescherming van het belang van de exploitant.

Uit voorgaande uitspraken blijkt maar weer eens dat steeds als men beroep in wil stellen tegen een besluit nagegaan moet worden of de natuurbeschermingsbepalingen of de bepalingen ten aanzien van de ruimtelijke ordening waarop een beroep wordt gedaan, strekken tot bescherming van zijn of haar belang. Als dat niet het geval is, stuit het beroep af op het relativiteitsvereiste en kan de rechter het besluit niet vernietigen.

Fiona Sassen
sassen@slangen-advocaten.nl
30 april 2015

_______

1 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van Staete, 1 april 2015, zaaknummer 201400848/1/R2.
2 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van Staete, 1 april 2015, zaaknummer 201308952/1/R3.

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten