Nieuws.

Verhuurder moet veelal toestemming geven voor aanbrengen van gevelreclame

Voor het aanbrengen van gevelreclame is meestal allereerst een omgevingsvergunning nodig die aangevraagd moet worden bij de gemeente. De gemeente zal toestemming moeten verlenen en kan voorwaarden verbinden aan het aanbrengen van gevelreclame. Verhuurder zal echter ook in veel gevallen toestemming moeten geven voor het aanbrengen of wijzigen van gevelreclame.

De algemene voorwaarden (volgens het model van de Raad voor Onroerende Zaken) bepalen dat de huurder verhuurder te allen tijde schriftelijk zal informeren over elke verandering of toevoeging die huurder in, aan of op het gehuurde wenst aan te brengen of te hebben, zoals naamsaanduidingen, reclames, borden, aankondigingen. Verhuurder heeft het recht om met betrekking tot de door huurder gewenste veranderingen of toevoegingen voorschriften te geven, zoals ten aanzien van de uitvoering, plaats, afmeting en materiaalkeuze.

Bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden (3 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4328) deed een zaak zich voor waarbij de verhuurder in eerste instantie toestemming had gegeven voor een ontwerp voor lichtbakken (gevelreclame) van het gehuurde. De huurder heeft in een later stadium het oorspronkelijke ontwerp aangepast om het zicht van de passantenstroom op de bedrijfsruimte te verbeteren en huurder heeft opnieuw om toestemming gevraagd aan de verhuurder voor het wijzigen van de gevelreclame (conform de algemene voorwaarden).

Verhuurder verleende de toestemming niet, omdat de gevelreclame te overdadig en te dominant zou zijn voor het gebied. Ook zou de zichtlijn op die van de naastgelegen panden geblokkeerd worden. Daarnaast zou het bord naar de mening van verhuurder te ver uit de gevel steken. De huurder voerde aan dat de verhuurder ten onrechte geen medewerking had verleend aan de gevelreclame en dat verhuurder hierdoor het genot van huurder aan het gehuurde heeft beperkt (zodat de huurprijs diende te worden verminderd en haar schade bestaande uit gederfde inkomsten diende te worden vergoed). Het Gerechtshof deelde deze mening van huurder niet.

Het Gerechtshof bepaalde dat huurder ij het aangaan van de huurovereenkomst bekend was met de ligging van de bedrijfsruimte en de reclameborden die aan de luifel waren aangebracht. Bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht huurder in ieder geval verwachten dat verhuurder tenminste de gevelreclame zou toestaan zoals die door de vorige huurder was aangebracht. De huurder heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit bleek dat het voorstel voor gevelreclame tot meer klanten in haar winkel uit de passantenstroom in en nabij het winkelcentrum zal leiden en daardoor een hogere omzet te verwachten is.

Het Gerechtshof bepaalde dat de enkele omstandigheid dat een bepaalde reclamevoering meer zichtbaar is, op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat meer passanten de bedrijfsruimte zullen bezoeken. Zo is denkbaar dat voor het aantrekken van klanten uit de passantenstroom niet alleen van belang is de zichtbaarheid van de gevelreclame maar bijvoorbeeld ook de naamsbekendheid, de aanwezigheid van concurrenten in het winkelcentrum en de ligging van de bedrijfsruimte in het winkelcentrum.

Indien u als verhuurder wilt voorkomen dat gevelreclame wordt aangebracht,  dan heeft u een grote vrijheid om al dan niet toestemming te geven voor de gevelreclame, maar ook heeft u rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van uw andere huurders in het winkelcentrum en het effect dat de gevelreclame op de uitstraling van het winkelcentrum kan hebben. Ook zult u als verhuurder rekening moeten houden met het belang van de huurder bij het voorstel om gevelreclame aan te brengen.

Fiona Sassen
sassen@slangen-advocaten.nl
9 september 2014

Overig nieuws

Meer nieuws
2011 Slangen Advocaten